Het vaststellen van verlies verdienvermogen bij een zelfstandige
Wanneer een ondernemer (deels) arbeidsongeschikt raakt kan niet simpelweg worden gekeken naar het verdienvermogen over een korte periode voor ongeval maar wordt de ondernemer met zijn bedrijf van meerdere kanten ‘doorgelicht’. Onderzocht moet worden hoe het bedrijf vóór het ongeval functioneerde, wat de ondernemer (en eventuele medevennoot) daarin precies deed, hoe het bedrijf zich over langere tijd voor ongeval heeft ontwikkeld en hoe het bedrijf zich waarschijnlijk, het ongeval weggedacht, naar de toekomst zou hebben ontwikkeld.
De rechtbank Overijssel onderstreept in het vonnis dat de schadebegroting zoveel mogelijk moet worden gebaseerd op concrete factoren en omstandigheden. Uitgangspunt bij de begroting is, zoals bij elke schadevaststelling, de vergelijking tussen de werkelijke situatie na het ongeval en de hypothetische situatie zonder het ongeval. De hypothetische situatie zonder ongeval mag niet slechts worden gebaseerd op aannames of verwachtingen maar zal moeten worden gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden na een zorgvuldige bedrijfseconomische en bedrijfskundige analyse waarbij alle omstandigheden moeten worden meegewogen.
Het onderzoek is drieledig:
Eerst zal in een arbeidsdeskundig onderzoek worden vastgesteld in hoeverre de zelfstandige door het letsel nog geschikt is voor zijn eigen werkzaamheden binnen het eigen bedrijf. Dat vraagt om een concrete beschrijving van het werk: welke taken verrichtte de ondernemer zelf, hoeveel uren besteedde hij daaraan, welke fysieke of cognitieve belasting hoorde daarbij en welke werkzaamheden kan hij na het ongeval nog uitvoeren?
Daarnaast is bedrijfseconomisch én bedrijfskundig onderzoek nodig. Daarvoor wordt een bedrijfseconomisch deskundige gevraagd onderzoek te doen. In de uitspraak maakt duidelijk dat een analyse van alleen rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit onvoldoende is:
"De rechtbank constateert dat de bedrijfskundig adviseur weliswaar ingaat op de rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit van de vof, en dus op de bedrijfseconomische aspecten, maar niet op de bedrijfskundige aspecten."
De deskundige moet ook bedrijfskundig in kaart brengen hoe de onderneming functioneerde. Daarbij hoort:
- een duidelijke bedrijfsomschrijving en positionering in de markt;
- de ontwikkeling van de onderneming vanaf de start;
- de taakverdeling binnen het bedrijf en de inzet van personeel of vennoten;
- een vergelijking met vergelijkbare ondernemingen in de relevante sector.
"Het doel van een bedrijfskundige analyse is om de financiële gezondheid van de vof te beoordelen en de gemiddelde verdiencapaciteit te bepalen over een representatieve periode van een – naar het oordeel van de rechtbank – minimale periode van drie jaar binnen de relevante marktsector."
Representatieve referentieperiode
Een cruciaal aandachtspunt is de keuze van de juiste referentieperiode. De rechtbank stelt vast dat ongevalsjaren niet zonder meer geschikt zijn om de verdiencapaciteit te bepalen, omdat daarin de financiële gevolgen van het ongeval al kunnen zijn verwerkt. Ook jaren waarin bijzondere privéomstandigheden de bedrijfsresultaten hebben beïnvloed, mogen niet klakkeloos als representatief worden gebruikt:
"Privéomstandigheden kunnen van invloed zijn (geweest) en een (incidenteel) vertekend beeld (kunnen) geven van de financiële positie van de onderneming, zodat deze moeten worden onderzocht en beoordeeld op hun relevantie."
Zulke omstandigheden moeten worden onderzocht, gewogen en zo nodig gecorrigeerd. De rechtbank voegt daaraan toe dat de moeilijkheidsgraad van die berekening geen reden is om ervan af te zien:
"Indien een berekening van de invloed van privéomstandigheden voor de bedrijfskundig adviseur in de gegeven omstandigheden lastig was, dan had het in ieder geval in de rede gelegen dat de bedrijfskundig adviseur daar een opmerking over had gemaakt in zijn rapport en dat hij daar vervolgens op was ingegaan, bijvoorbeeld door een beredeneerde schatting te maken."
Would-be scenario
Ook het would-be scenario (hypothetische situatie zonder ongeval) moet deugdelijk worden gemotiveerd. De deskundige moet uitleggen waarom juist bepaalde jaren, cijfers en branchegegevens worden gebruikt en hoe deze zich verhouden tot de concrete onderneming. Algemene CBS- of branchecijfers zijn niet genoeg als de koppeling met het specifieke bedrijf ontbreekt.
Eisen aan het deskundigenrapport
De rechtbank herhaalt de vaste norm voor deskundigenberichten: het rapport moet voldoen aan de eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. De motivering en conclusies moeten deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de in het rapport vermelde gegevens.
Conclusie: gehele rapport terzijde gelegd
In deze zaak voldeed het rapport van de bedrijfskundig adviseur op meerdere punten niet aan deze eisen. De geconstateerde tekortkomingen werkten door in het gehele rapport, waarna de rechtbank tot een verstrekkende conclusie kwam:
"De rechtbank acht het niet zinvol om de bedrijfskundig adviseur een nadere toelichting of aanvulling te geven op zijn rapportage. Dat betekent dat de rechtbank het gehele rapport van de bedrijfskundig adviseur als onbruikbaar terzijde legt. Het rapport kan dan ook niet dienen als uitgangspunt voor de afwikkeling van het verlies aan verdienvermogen."
De les voor de praktijk is helder: een rapport over verlies aan verdienvermogen van een zelfstandige moet niet alleen cijfers presenteren van de onderneming en zich verlaten op algemene CBS en/of branchegegevens voor het toekomstscenario, maar verklaren wat die cijfers zeggen over de onderneming en de verdiencapaciteit van de ondernemer. Ontbreekt de bedrijfskundige analyse, wordt geen representatieve periode gekozen en blijven relevante privé- of ongevalsomstandigheden buiten beeld — dan loopt het rapport het risico volledig terzijde te worden gelegd.